Toren van de Grote Kerk herhaaldelijk getroffen door storm en brand

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

1578 – 1783

Bronnen:

Na de grote branden van 1483 en 1547/1548 (zie de afzonderlijke events daarover) wordt de Doesburgse kerktoren herbouwd, maar het pech blijft de toren achtervolgen. In 1578 waait de torenspits om en valt op de kerk. Na herbouw in 1590 wordt de toren in het Rampjaar 1672 opnieuw getroffen: de Franse belegeraars onder Lodewijk XIV schieten hem in brand. In 1717 stort het kerkdak in tijdens een volgende brand. Rond 1782 verbrandt stadsleidekker Jacobus Haanappel bij onderhoudswerk zijn handen. In 1782/1783 krijgt de toren, op uitvinding van de uit Nijmegen afkomstige Cornelis Rudolphus Theodorus Krayenhoff (1758-1840), als eerste kerkgebouw van Nederland een bliksemafleider — Krayenhoff, die zich later als een van de ‘Bataafse’ revolutionairen zou onderscheiden bij de omwenteling van 1795 en decennia later meewerkte aan de Hollandse Waterlinie, bouwde daarbij voort op het eerdere werk van Menno van Coehoorn. In 1809 ontvangt de kerk een gift van koning Lodewijk Napoleon voor verdere restauratie, en in 1910/1911 volgt een structurele restauratie onder leiding van architect W. te Riele. Op 15 april 1945 wordt de toren, na deze eeuwenlange geschiedenis van rampspoed en herstel, door de Duitse bezetter volledig verwoest (zie het bestaande event daarover).