Hannoverse troepen richten vernielingen aan tijdens overnachting in Doesburg

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

12 december 1746

Bronnen:
  • Doesburg Vertelt Hannoverse troepen in Doesburg (geraadpleegd 25-08-2026 via verhalenplatform.doesburgvertelt.nl. Gebaseerd op transcripties uit het Doesburgse stadsarchief (Streekarchivariaat De Liemers en Doesburg) en R. Dane, Uit het Stadsarchief geput.)

Op last van Gedeputeerde Staten van het Graafschap Zutphen moet Doesburg op 11-12 december 1746 voor één nacht onderdak bieden aan een bataljon Hannoverse huurtroepen van de Engelse koning George II (tevens keurvorst van Hannover), op doortocht naar hun winterkwartier in Zutphen na de verloren Slag bij Rocourt (11 oktober 1746) tegen de Fransen. Het stadsbestuur richt in allerijl de Gasthuiskerk, de Latijnse School en een boerenschuur in als slaapplaats, met stro op de vloer. De vermoeide en verkleumde soldaten vinden de kerk ijskoud, het stro te dun en het brood te karig, en beginnen op de ochtend van 12 december uit frustratie het kerkmeubilair te slopen: de preekstoel, de bank van de diakenen en de lessenaar worden vernield. Buiten de kerk graven soldaten met bajonetten straatstenen los om naar het huis van burgemeester Curtius te gooien; glazenmaker Jan Rewinkel telt naderhand 27 ingegooide ruiten aan de voorkant en 7 aan de zijkant. Bij het veer over de IJssel weigeren de soldaten de veerman Willem Weijers te betalen en dreigen hem met de sabel te onthoofden. Het Doesburgse stadsbestuur dient een schadeclaim in bij Zutphen, maar kolonel Horn en Gedeputeerde Staten van het Graafschap Zutphen wijzen de aansprakelijkheid grotendeels van de hand; de brief van Zutphen (16 december 1746) verwijst Doesburg door naar de koning van Groot-Brittannië als soldijverstrekker.