Commanderij verkocht aan de stad, weeshuis gesticht

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

1657

Op 2 januari 1622 schenkt Wendel van Vieracker “ter erflicken ende ewijgen behouff van de stadt Doesborchs arme ende ingeboren burgers nagelaten weeskinderen” haar huis in de Beitelstraat, samen met de helft van het door haar bezeten erf de Weesickhorst te Drempt — de eerste stap naar een Doesburgs weeshuis. De gift wordt pas na de dood van haar en haar echtgenoot geëffectueerd. Als Wendel eind 1635 als weduwe overlijdt, staat Doesburg aan de vooravond van de ernstigste pestepidemie van die eeuw; het financiële draagvlak blijkt vooralsnog te gering om een weeshuis te stichten. Als instelling komt het Weeshuis wel van de grond, direct nadat de epidemie in 1637 is uitgewoed — al wordt het geschonken pand zelf niet als zodanig gebruikt: de een of twee wezen worden uitbesteed, terwijl het huis wordt verhuurd.

Pas twintig jaar later, in 1657, dwingt financieel mismanagement de Duitse Orde de Doesburgse Commanderij aan de stad Doesburg te verkopen, die al langer aasde op het grote pand. Twee branden in de Martinuskerk hadden eerder al zwaar op de financiën van de Commanderij gedrukt; in eerste instantie werd het “vervallen huis” voor honderd gulden verhuurd aan een kolonel. De stad sticht in het pand het weeshuis, dat tot in de 19e eeuw functioneert. Daarna wordt het een concertzaal (1887, waarbij de zaal wordt verlengd en de oude middeleeuwse haard verdwijnt); in 1932 wordt de gevel aan de Kerkstraat-zijde grotendeels weggebroken voor een uitbreiding van de zaal, en vanaf 1948 krijgt het pand nieuwe ingangen voor een filmzaal, die ook dienst deed als kegelbaan en vrijmetselaarsloge. Archeologisch onderzoek in 2015 toonde aan dat de begraafplaats bij de Commanderij — met resten van acht individuen, onder wie vier kinderen — dateert van vóór deze verbouwing tot weeshuis; bij diezelfde verbouwing tot Lalique-museum in 2015 verdween ook de laatste rest van de onderzochte middeleeuwse westmuur.