Statuten van het Grote Convent vastgelegd
tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000
1407
- Doesburgse Archeologische Publicaties (DAP) — Het convent 'Maria opten aelden grave'. Archeologisch en historisch onderzoek Kloosterstraat 17 in Doesburg (DAP 16) — Bert Fermin, Rachel Brouwer & Davy Kastelein, 2016 (geraadpleegd 26-08-2026, PDF via Playwright/Memorix-omweg.)
Rond 1407 stellen vicaris Dirc die Gruter — een directe leerling van Geert Grote — en biechtvader Gerard Boechamer een uitvoerig document op waarin de statuten van het Grote Convent worden vastgelegd, bezegeld door de schepenen en de raad van Doesburg. Het voormalige begijnenhuis is daarmee formeel omgevormd tot een zusterhuis van het Gemene Leven, naar het voorbeeld van de zusterhuizen in Deventer. De statuten schrijven onderdak voor aan ongeveer zestien vrouwen, afhankelijk van de financiële situatie iets meer of minder. De zusters werden nog wel begijnen genoemd en waren niet volledig van de wereld afgesloten: met toestemming van de meesterse mochten ze de stad in, mensen thuis bezoeken en zelfs (met verlof van de provisor) buiten de stad reizen. Kort voor 1400 was het huis al onder leiding gekomen van Hille Vriesen, afkomstig uit het Meester Geertshuis in Deventer, vermoedelijk gestuurd door Johannes Brinckerinck om de Moderne Devotie in Doesburg te introduceren.