Grote Convent wordt officieel kloostergemeenschap
tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000
1446 – 1458
- Doesburgse Archeologische Publicaties (DAP) — Het convent 'Maria opten aelden grave'. Archeologisch en historisch onderzoek Kloosterstraat 17 in Doesburg (DAP 16) — Bert Fermin, Rachel Brouwer & Davy Kastelein, 2016 (geraadpleegd 26-08-2026, PDF via Playwright/Memorix-omweg.)
In 1446 wordt het zusterhuis officieel een kloostergemeenschap: de bisschop van Utrecht geeft toestemming om zich te conformeren aan de Derde Regel van Sint-Franciscus, en het convent sluit zich aan bij het Kapittel van Utrecht — een organisatie van voormalige broeder- en zusterhuizen die deze regel volgden, zelf niet behorend tot de orde der Franciscanen maar sterk beïnvloed door de Moderne Devotie. De overgang gaat gepaard met inclusio: de zusters nemen de plicht op zich om zich voortaan alleen binnen de conventsmuren op te houden en nog maar beperkt mensen van buiten toe te laten. In het Memorieboek wordt dit later omschreven bij het overlijden van meesterse Heilwig van Tricht: ‘bi oere moederscap wart dit convent een besloten cloester’. In 1458 wordt het grote kloostergebouw ‘Maria op ten aelden grave’ — met woon- en werkfunctie en opslagruimtes — in gebruik genomen; onder leiding van meesteres Helwich van Tricht bouwen de zusters een eigen bibliotheek van 66 boektitels op en schrijven ze vanaf 1442 jaarlijks een getijdenboek. Met de strengere kloosterregel kreeg Doesburg — net als andere steden in de regio — een gemeenschap die zich definitief onttrok aan de losser georganiseerde begijnenbeweging.