Het Weeshuis verliest zijn Protestantse etiket na conflict met de pastoor
tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000
28 maart 1955 – 1957
- Kroniek van de Gestichten van Weldadigheid te Doesburg, 1237-1987 , J.W. van Petersen (geraadpleegd 28-08-2026. Simons publiceerde zijn advies als 'Advies uitgebracht nopens het karakter van het Gesticht "Het Weeshuis" te Doesburg' (Doesburg, 1955).)
Het Weeshuis, geworteld in de katholieke schenking van Wendel van Vieracker uit 1622, wordt sinds een instructie van 1719 (die voorschrijft dat de weeskinderen “in de gronden van de Gereformeerde religie” onderwezen moeten worden) beschouwd als een instelling van Hervormde signatuur. In de jaren ’50 van de 20ste eeuw trekt dat de aandacht van de plaatselijke katholieke pastoor A.S. Uijttewaal, die de acte van 1622 bestudeert en concludeert dat het Gesticht zich ten onrechte als van oudsher Protestants voordoet. Het Gemeentebestuur vraagt rechtsgeleerde Prof. dr. D. Simons om onderzoek; die concludeert in 1955 dat het Weeshuis van origine geen Protestantse instelling was en dat herziening van het Reglement wenselijk is. De pastoor, gesteund door Prof. mr. W.C.L. van der Grinten, wil een verdergaande Katholieke invloed, wat de gemoederen danig in beroering brengt. Op 28 maart 1957 besluit de Raad het woord “Protestantsch” uit het Reglement te schrappen en te bepalen dat weeskinderen niet langer verplicht naar een openbare school hoeven.