Doesburg behoort tot de “grote vier” Gelderse steden die zich met het landsbestuur bemoeien
tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000
1316 – 1319
- Gelre: Dynastie, land en identiteit in de late middeleeuwen , Andries Noordzij (geraadpleegd 28-08-2026. Brief voor Doesburg bevindt zich in het Doesburgse archief (Van de Ven, Oud-archief, nr. 16), niet elders afgedrukt.)
De eerste aanzetten tot een eigen politiek netwerk van Gelderse steden dateren volgens Andries Noordzij uit de jaren 1316-1318. Uit onvrede over de verpanding van het zuiden van het territorium aan het hertogdom Gulik komen de steden Nijmegen, Zutphen, Doesburg en Emmerik in opstand tegen graaf Reinald I en stellen zich in 1316 onder het gezag van diens gelijknamige zoon, de latere Reinald II. Tijdens de bemiddeling die volgt, eisen de opstandige steden en de ridders die zich bij hen aansluiten onder meer dat richters, ambtmannen en tollenaars uit het graafschap Gelre zelf afkomstig moeten zijn, en dat de landsheer geen delen van het land mag vervreemden. Als dank voor hun steun belooft Reinald II in juli 1319 geen besluiten meer te nemen zonder instemming van de schepenen der Gelderse steden; in oktober van dat jaar sluit hij een overeenkomst met Arnhem “gebruikmakend van het advies van onze raden, te weten onze schepenen van Nijmegen, Zutphen, Emmerik en Doesburg”. Na 1319 worden de steden nog maar zelden als adviseurs van de vorst genoemd — pas in 1347, toen hertog Reinald III in geldnood verkeerde, kregen de vier steden opnieuw kortstondig een formele rol in de vorstelijke raad.