Doesburg vraagt Franse troepen de stad snel binnen te trekken na Oostenrijkse plundering

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

5 februari 1795

Bronnen:

Anders dan bij de Franse inval onder Lodewijk XIV in 1672 komt de aanval van 1795 niet uit het oosten maar via het zuiden. Na de overgave van Arnhem op 17 januari 1795 rukken de Fransen op, en Van Coehoorns vesting Doesburg wordt daarbij omzeild. Niet de Fransen worden door de Doesburgse burgers het meest gevreesd, maar de laatste vertrekkende groep Oostenrijkse verdedigers, die voor haar aftocht de stad plundert. Een dag na hun vertrek stuurt een deputatie Doesburgse burgers een verzoek aan de Fransen om de stad snel binnen te trekken, om zo een terugkeer van de Oostenrijkers — en dus meer plunderingen — te voorkomen. Het is 5 februari 1795. Barones Van Weltzien beschrijft in een brief aan haar man, kapitein in het in Doesburg gelegerde regiment Bedaulx, de sfeer van de dagen ervoor: de troepen verlaten de stad, het stadsbestuur onderhandelt al met de Fransen, en veel Doesburgers versieren zich uit opluchting met Franse kokardes. Meteen na de Franse intocht worden overal in de net uitgeroepen Bataafse Republiek democratische hervormingen doorgevoerd: katholieken en protestanten krijgen gelijke rechten en stadsbestuurders worden voortaan door de (mannelijke) ingezetenen gekozen. Het economische leed van de oorlog is met de Franse intocht echter niet voorbij: leveranties aan de Fransen worden vergoed in waardeloze papieren ‘assignaten’.