Eerste stoommachine van Doesburg bij de oliefabriek van Breukink

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

1855

Bronnen:

Achter de Doesburgse Ooipoortstraat 42-44 staat al rond 1705 een grutmolen, in 1790 uitgebreid met een oliemolen, aangedreven door paarden (een rosmolen). Als Hendrik Breukink in 1853 de zaak van zijn moeder Maria Breukink van Zadelhoff overneemt, wil de techneut paardenkracht inruilen voor stoomkracht: in 1855 vraagt en krijgt hij vergunning voor de eerste stoommachine van Doesburg, onder voorwaarde van een nieuw bedrijfsgebouw verder van de straat en een verbod op nachtelijk werken. Toevallig doet in datzelfde jaar Claas van Barneveld zijn aanvraag voor een gasfabriek (zie het afzonderlijke event daarover); het gemeentelijk jaarverslag van 1856 noemt beide initiatieven met trots als bewijs dat Doesburg ‘niet ten achteren blijft bij andere steden’. Breukink verkoopt de zaak in 1862 aan Hendrik Willem van Marle, die hem in 1867 op zijn beurt doorverkoopt aan de Rotterdammer Gerrit Hendrik van Hengel. In 1878 vindt Van Hengel in Gerrit Wijnand Lensvelt een vennoot met kapitaal; in 1879 wordt de nieuwe firmanaam ‘Van Hengel en Lensvelt’ bij de notaris ingeschreven.