Eerste vermelding van de Doesburgse begijnen

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

29 november 1334

Op 29 november 1334 (“up Zunte Andreas’ avonde eens apostolen”) verkoopt Henric van Averlake een maat land bij de Toezebrugge aan het Begijnenconvent. Het is de eerste keer dat de Doesburgse begijnen in een bewaard gebleven bron genoemd worden. De begijnen woonden op dat moment nog niet aan de latere Kloosterstraat: die locatie maakte in de 13e eeuw nog deel uit van de stadsverdediging (wal en gracht) en kwam pas na de stadsuitleg van 1343 vrij voor bewoning. Uit deze kleine begijnengemeenschap groeide in de loop van de 14e en 15e eeuw het Grote Convent, vernoemd naar Maria: ‘Maria opten aelden grave’.