Einde van het Grote Convent als geestelijke instelling

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

1626

Hoewel de bezittingen van het Grote Convent na de komst van het nieuwe geloof (Jan van Nassau werd in 1578 stadhouder) al aan de stedelijke overheid werden toegewezen, liet men de laatste bewoonsters met rust. Pas in 1626, met het overlijden van de laatste zuster Geertruyt van Elverick, deed de Gereformeerde stedelijke overheid officieel haar gezag gelden en kwam er een einde aan het Grote Convent als geestelijke instelling. Al in de jaren 1580 was het convent overigens wel belast met het opvangen en bevoorraden van nieuw aangekomen troepen. Na 1626 werden de kleinere gebouwen op het voormalige kloosterterrein afzonderlijk verhuurd of gratis aan armlastige inwoners ter beschikking gesteld; in 1633 en 1649 verkocht de stad meerdere gebouwen van het voormalige convent. Het hoofdgebouw, tegenwoordig bekend als het Arsenaal, kreeg pas in 1732 zijn huidige militaire bestemming.