Familie van Doesburgs burgemeestersvrouw gecompenseerd bij afschaffing slavernij

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

1 juli 1863

Bronnen:

Op 1 juli 1863 schaft het Koninkrijk der Nederlanden met de Emancipatiewet de slavernij af in Suriname en op de Nederlandse Antillen. Op de lijst van slaveneigenaren die daarbij financieel worden gecompenseerd staat ook de naam van Geertruida Brantsen, echtgenote van de Doesburgse burgemeester Frederik Jacob van Pallandt. Haar overgrootouders, de zussen Hester en Johanna de Vree, waren begin 18e eeuw als dochters van plantage-eigenaar Gerard de Vree in Suriname geboren en trouwden na hun terugkeer naar Arnhem met de broers Johan en Hendrik Willem Brantsen, waarmee twee Surinaamse plantages in het bezit van de familie Brantsen kwamen. Op 1 juli 1863 leven er op plantage Vossenburg 236 tot slaaf gemaakten; de eigenaren ontvangen voor de afschaffing in totaal ruim 70.000 gulden compensatie (300 gulden per persoon), verdeeld over Geertruida, acht directe familieleden en 39 overige aandeelhouders. Na de emancipatie daalt de suikerproductie van Vossenburg snel; een veiling in juli 1863 gaat bij gebrek aan belangstelling niet door, en de plantage houdt in de jaren daarna geleidelijk op te bestaan. De Nederlandse afschaffing van de slavernij was al vanaf 1848 in voorbereiding, maar liep vertraging op door onenigheid in het parlement over de schadeloosstelling voor de eigenaren; pas in 1862 aanvaarden de Staten-Generaal het wetsvoorstel.