Franse emigrantenfamilie De Ménerville vindt korte tijd onderdak in Doesburg

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

september 1794 – november 1794

Bronnen:

Elise Fougeret (geboren 1768 in Versailles) trouwt in 1786 met de 31-jarige Louis Marie de Ménerville. Na de arrestatie van de Franse koning in de zomer van 1791 verlaat het echtpaar Frankrijk als een van de vele ‘émigrés’. Via de Oostenrijkse Nederlanden (Doornik, Brussel), Breda en Den Haag komen de De Ménerville’s, na tussentijdse korte terugkeer naar Brussel, in september 1794 in Doesburg aan. Madame de Ménerville beschrijft haar aankomst in het boek ‘Souvenirs d’émigration 1791-1797’ (pas in 1934 gepubliceerd): ‘La petite colonie de Doësbourg était très unie; le pays était superbe, la vie facile et bon marché.’ In Doesburg verblijven op dat moment ook de graaf de Peyrac met zijn gezin, de comte de la Bourdonnais de Blossac met vrouw en zonen, L’Abbé Saunier (die voor het onderwijs van die zonen zorgt) en Madame de Balinvilliers; de van oorsprong Franse Doesburger Gervais (net als W. de Vaynes van Brakell) neemt de emigrantenfamilies onder zijn bescherming. Een incident tekent het verblijf: de knecht van De Ménerville betrapt hun Joodse huiseigenaar op het stelen van zilveren couverts; burgemeester Ver Huell grijpt in en de huiseigenaar krijgt een boete. Begin november 1794, bij hevige kou, moet het gezelschap opnieuw vluchten voor de oprukkende Fransen; met twee boten reizen de De Ménerville’s, Madame de Balinvilliers en de familie De la Bourdonnais de Blossac via Rotterdam en Den Haag naar Londen. De familie De Ménerville keert in 1797 terug naar Frankrijk. Enkele van de in het verhaal genoemde namen, waaronder De Ménerville en L’Abbé Saunier, komen ook voor in de Doesburgse brievencollectie (zie het afzonderlijke event daarover).