Paus geeft zusters van het Grote Convent een draagaltaar

tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000

1418

In 1418 krijgen de zusters van het Grote Convent van paus Martinus V het recht op een draagaltaar (altare portatile), zodat zij niet langer bloot hoeven te staan aan ‘de verleidingen van de stad’ wanneer zij dagelijks over straat gaan om in de parochiekerk de mis bij te wonen. Het privilege komt tot stand door bemiddeling van Johannes van Tricht, kanunnik van St. Marie te Utrecht en oom van meesterse Heilwig van Tricht. De pauselijke oorkonde vermeldt expliciet dat het convent op dat moment nog geen eigen kapel bezit. In dezelfde periode wordt het convent in bronnen voor het eerst met naam genoemd: in 1413 als ‘het Beghinenconvent opten Grave’ en in 1418 als ‘Maria opten aelden grave’ — een verwijzing naar de gedempte 13e-eeuwse stadsgracht waarop het convent lag.