Vervolging en deportatie van de Doesburgse joodse gemeenschap
tot 800800–900900–10001000–11001100–12001200–13001300–14001400–15001500–16001600–17001700–18001800–19001900–2000vanaf 2000
1941 – november 1942
- Doesburg Vertelt — De geschiedenis van de Joodse gemeenschap (geraadpleegd 25-08-2026 via verhalenplatform.doesburgvertelt.nl.)
Vanaf de zomer van 1940 volgen de anti-joodse maatregelen in Doesburg elkaar snel op: joden worden ontslagen uit overheidsdienst en geweerd uit zwembaden, badhuizen, parken, bioscopen, hotels en cafés. Eind februari 1941 moeten Doesburgse joden zich bij het stadhuis melden voor een ‘bewijs van aanmelding’ met een grote J; in maart 1941 wonen er nog 27 joden in de stad, verdeeld over negen families en twee alleenstaande vrouwen. Vanaf 1941 volgen radio-inlevering, gescheiden onderwijs voor joodse kinderen, een avondklok en het verplichte persoonsbewijs. Begin oktober 1941 worden Abraham Meiers, Jacob Meiers en Maurits Sternfeld door Doesburgse politiemensen als represaille uit hun huizen gehaald en door de Duitse politie afgevoerd naar het concentratiekamp Mauthausen, waar Sternfeld eind die maand overlijdt. In mei 1942 wordt de Jodenster ingevoerd; eind mei wordt de Doesburgse jood Meier Lebensbaum opgepakt, die in augustus in Auschwitz overlijdt. Halverwege augustus 1942 zijn er nog 18 joden in Doesburg; in november 1942 volgt na een grote razzia deportatie. Verschillende Doesburgers bieden hulp en onderduik, onder wie kapelaan Th.M. Morselt, pastoor A.S. Uyttewaal, de gereformeerde predikant J.B. Jansen, ds. G.L. Dalfsen van de remonstrantse kerk en tandarts W. Wijnen, die zijn praktijk sluit om zich volledig aan verzetswerk te wijden.